Wat onbedwingbaar plaatsvindt. Het diepe veinzen van geluk.
Zoals de maan ginds in het water glijdt de ruwe handen van je ziel.
Er was een meisje ze sliep aan zee. Ik nam haar hand en keek met haar mee. Zoals door een spiegel -zo één als in een Russisch sprookje- onkreukbaar door de tijd.
De dagen, klein en geniepig kwaken door mijn hoofd, met korte stootjes als een vals gestemde piano. Onverdoofd kan ik niet wakker worden. Sinds nu heb ik me verstopt; besprenkeld met de geur van oma; een oud brood in de hand. Zo drijf ik in een rieten mand van oever naar oever en droom.
Ik droom van fietsen zonder handen; zakken apenootjes en dieren uit zilverpapier. Een giraffe duidt zijn tong naar vogels die ik niet ken. Ze lijken beschilderd door Miro.