Tijdgenote
alle poëzie begint met stilte
elke liefde met een avontuur
vandaag is het de ballon
morgen een stip
vogels zijn we
die duiken als vissen
ik beklim het oneindige
Zoals jij slaapt
zo onvoorwaardelijk lief
een opgevouwen zee
de hand van je hart
Navraag
Het overkomt vogels
bij kruimels op het gras
Terug in bed
Niet koud
Nog warm ruikend
Een leeg oor
“je hebt enkel bestaan
als je minstens met zijn tweeën
hebt geleefd”
ik
op alle jaren
begrijp nu pas de borsten
die een opera dragen
dat we niet meer zijn dan
een gezang van hese engelen
die de oerslaap lichtvoetig maken
opdat we
tuimelen,
tuimelen
tuimelen
zinvol
en gerust
omdat niemand ons zo mist
als de staart van de ster
zo voorwaar wij zijn geweest
(voor mijn vader 26 maart 1927 - 17 december 2007)
getekend door X
kijk, zo trek ik halve cirkels
onderlangs een borst, een borst
gewoon met een tandenstoker
zie maar hoe makkelijk mooi
de rode lijnen zijn van mij
en ze lossen weer op in de huid
alsof er nooit iets gebeurd is
getekend door Y
zo vul ik blinde gaten, teken
gewelven mooi rond steunend
op pilaren; schrijf ik adem met
brede ribben en balustraden
de zwarte lijnen schetsen mij
ze lossen vanzelf op in je lijf
alsof er nooit iets is gebeurd
door kelders kruipt ze
voorbestemd om voormalig en wijs te zijn
eenzaam en gebukt
zo loopt ze andermaal de trap
en te midden huilt ze
in het vallen van de nacht
ving ik signalen op
hij sprak over een blad
en zij brak er één
zondags had hij nog bier
en plezier gehad, de boer
’s maandags werd hij opeens ziek
(dat kent een boer natuurlijk niet)
werd die dag zieker en zieker
en nog zieker
zelfs zo ziek dat de varkens
ernstig begonnen te lachen
de werkelijkheid is niet verzonken
het is geen stad of straat
het is een huis met een tuin
de kleuren maken een ander geluid
een uitgeperste sinaasappel zegt vanzelf
wel een keer ja of nee
gele werkelijkheid
rode werkelijkheid
blauw, zwart, wit, groen, roze
het valt dus ook te mengen
zo heb ik een godsdienstleraar gehad
die vloekte altijd paarsgroen
de steen is verzet
de wormen grazen
kom, laten we nog één keer veinzen
de vork in de biefstuk, of
wat kruimels Parmezaan